Als je niet oplet, werk je zonder dat je het doorhebt mee aan het verspreiden van nepnieuws.
Het is dit jaar precies honderd jaar geleden dat de paus een nieuw feest aan de kerkelijke kalender toevoegde: het hoogfeest van Christus Koning.
Het hoogfeest van Christus Koning werd ingesteld tijdens het Heilig Jaar 1925. Op 11 december van dat jaar publiceerde paus Pius XI de encycliek ‘Quas primas’ waarin hij het hoogfeest instelde. Daarmee bestaat het feest nu honderd jaar.
De paus gaf verschillende redenen voor de invoering van dit hoogfeest. Hij verwees voor het theologisch fundament onder meer naar het Concilie van Nicea (325). In 1925 herdacht de Kerk dat dit concilie 1600 eerder plaatsvond. Dit concilie nam in de geloofsbelijdenis onder meer de zin op dat aan Christus’ rijk geen einde kwam.
De paus had nog een motief. Hij verzette zich tegen het opkomend ‘laïcisme’ dat het christelijk geloof uit het openbare leven wilde verbannen. Hij meende dat het instellen van dit feest een krachtige tegenbeweging zou vormen tegen de secularisatie. Feesten hadden volgens deze paus een grotere invloed op de gelovigen dan de documenten van het leergezag die slechts door een kleine groep worden gelezen en verstaan.
Paus Pius XI bepaalde dat het hoogfeest op de laatste zondag van oktober gevierd zou worden, voorr het hoogfeest van Allerheiligen. Na de liturgiehervormingen van het Tweede Vaticaans Concilie (1962-1965) is het hoogfeest verplaatst en van naam veranderd. Het hoogfeest wordt nu gevierd op de laatste zondag van het liturgisch jaar. De officiële naam luidt: Christus, Koning van Heelal.
“Juist in zijn vergevende liefde toont Jezus zijn koninklijke macht.”
Het koningschap van Christus heeft kosmische dimensies. Verschillende bijbelteksten getuigen hierover. In het boek van de Openbaring staat: “Elk schepsel in de hemel en op de aarde en onder de aarde en in de zee, het ganse heelal hoorde ik roepen 'Aan Hem die gezeten is op de troon en aan het Lam zij de lof en de eer en de roem en de kracht in de eeuwen der eeuwen!’” (Openbaring 5, 13). Hetzelfde bijbelboek spreekt ook over Christus als de Alfa en de Omega van de Schepping (Openbaring 1, 8).
Een belangrijke passage over het koningschap van Christus vinden we in de Christushymne die Paulus in de Kolossenzenbrief heeft opgenomen (Kolossenzen 1,15-20). Het gaat hier om een van de oudste christelijke teksten. Deze hymne bezingt Christus als het beeld van de onzichtbare God in wie alles herschapen is. Het heelal is geschapen door Hem en voor Hem. God heeft in Hem willen wonen in heel zijn volheid om door Hem het heelal met zich te verzoenen.
Deze bijbelse visie doortrekt ook onze liturgie. Wanneer we tijdens de eucharistieviering het gloria zingen, loven we de Heer als de Allerhoogste: Hij is alleen de Heer. In het Onze Vader vragen we of zijn Rijk komt. In het Te Deum prijzen we Christus als de Koning der Glorie. Dit zijn de bekendste voorbeelden.
Het beeld van Christus als Koning leidt gemakkelijk tot misverstanden: het gaat hier namelijk niet om een werelds koningschap. Wanneer Jezus aan het kruis hangt tussen twee misdadigers, vraagt een van de misdadigers aan Jezus om aan hem te denken wanneer Hij in zijn koninkrijk gekomen is. Deze tekst wordt dit jaar gelezen op het hoogfeest (Lucas 23). Jezus zegt hem het paradijs toe. Juist in zijn vergevende liefde toont Jezus zijn koninklijke macht.